Het Monumenten Inventarisatie Project

De belangrijkste gegevensbron voor de collectie bouwwerken op Amsterdam 1850-1940 was het MIP: het Monumenten Inventarisatie Project. Dat was een landelijke inventarisatie van bouwkunst uit de periode 1850-1940, uitgevoerd rond 1990.

Waarom 1850?

Al vanaf 1873 (na het betoog van Victor de Stuers) werd door de rijksoverheid nagedacht over bescherming van architectonisch erfgoed – en toen was de IndustriĆ«le Revolutie in Nederland nog nauwelijks op gang gekomen. Rond 1900 was het inzicht ingedaald dat tijdens de bouwwoede van de IndustriĆ«le Revolutie veel schoons gesneuveld was, en dat er maatregelen genomen moesten worden om meer verlies te voorkomen.

Zo werden vanaf 1908 ‘Voorloopige lijsten der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst’ opgesteld (te raadplegen in de DBNL): per provincie en een aparte lijst voor Amsterdam. Als een van de selectiecriteria werd een minimale ouderdom van vijftig jaar bedacht, waardoor 1850 de grens werd. Dat was ook geen volstrekt onzinnige keuze, gelet op de geringe bouwproductie rond die tijd.

Het duurde tot 1961 voordat er concrete wettelijke bescherming kwam: de Monumentenwet van dat jaar introduceerde het rijksmonument. Voor de aanwijzing werd in veel gevallen gemakshalve teruggevallen op de Voorloopige Lijsten, met dus het grensjaar 1850.

Er kwamen ook enkele jongere gebouwen op de rijksmonumentenlijst, zoals in het Amsterdam het Rijksmuseum en het Centraal Station. Over het algemeen werd er destijds echter neergekeken op de architectuur van de tweede helft van de negentiende eeuw, met zijn neostijlen. Het grotendeels ontbreken van die periode werd zodoende nauwelijks als een gemis ervaren.

Jongere bouwkunst

Enkele decennia later was dat veranderd. Uit de wil om ook jongere bouwkunst te beschermen, kwam de behoefte aan een inventarisatie voort: eerst een gestructureerde inventarisatie maken, en daarna selecteren. In 1987 werd gestart met het Monumenten Inventarisatie Project. Als eindjaar werd 1940 gekozen: vanwege het toen nog geldende vijftig-jaarcriterium en omdat het jaar een overduidelijke cesuur in de Nederlandse geschiedenis was.

Het project werd uitgevoerd door de provincies en door de vier grote steden. Het resulteerde in 1995 in een database met ruim 150.000 objecten. Na het MIP volgde het MSP: het Monumenten Selectie Project, waaruit zo’n 15.000 kandidaat-rijksmonumenten naar voren kwamen.

De data

Voor onze site en app over Amsterdam 1850-1940 hebben we de Amsterdamse MIP-lijst waar nodig aangevuld en aangepast. (De gehele database is door de Rijksdienst als open data beschikbaar gesteld.) In de lijst werden adressen van complexen bijvoorbeeld gegroepeerd op 6-positie postcode, voor ons een vrij nutteloze indeling. Ook bleken allerlei belangrijke bouwwerken te ontbreken, zoals bijvoorbeeld het Olympisch Stadion.

Dat neemt niet weg dat de ruwe data van het MIP een belangrijke bron kan zijn. Mede daarom hebben we die ruwe data nu maar eens online toegankelijk gemaakt, op 020apps.nl/mip.


Bronnen:

Rijkscommissie voor de Monumentenzorg: Jongere Bouwkunst. Amsterdam binnen de Singelgracht (1850-1940). Zeist, 1984.

M.M. Bakker en F.M. van de Poll: Architectuur en stedebouw in Amsterdam 1850-1940. Waanders, Zwolle / RDMZ, Zeist, 1992.

P. Brinkman: De Monumentenlijst. Van Voorloopige Lijst tot relationele databank. In Jaarboek Monumentenzorg 1997 (link)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *