1850-1940 | Wederopbouw | Na '65
  • architect
  • straat
  • stijl
  • functie
  • tools
  • Gereedschap

    Textiel en kleding

    Door de opkomst van industrieel vervaardigde stoffen werden textielproducten eind negentiende eeuw flink goedkoper. Eindelijk werd nieuwe kleding betaalbaar voor gewone mensen, die tot dan toe aangewezen waren op de tweedehands markt of hun kleren zelf moesten maken.

    De confectie-industrie kreeg ook een flinke impuls door de komst naar Nederland van ondernemers uit Duitsland, waar confectiekleding al langer ingeburgerd was. Tot de meest succesvollen hoorden bekende namen als Peek, Cloppenburg, Kreymborg, Lampe, en Brenninkmeijer.

    De uitvinding van de trapnaaimachine maakte succes in de confectie-industrie haalbaar voor menig kleine ondernemer. Overal schoten ateliers uit de grond. Daar werkten vooral vrouwen: die waren nauwgezet en konden worden afgescheept met een lager loon.

    Grotere ateliers werkten met machines die centraal door stoom werden aangedreven. Die ateliers hadden vaak eigen winkels. In de 20e eeuw maakten elektrische naaimachines een snellere productie mogelijk.

    Hoewel de naaisters daar waarschijnlijk anders over dachten, waren de lonen in Amsterdam relatief hoog. Door te concurreren op kwaliteit konden Amsterdamse bedrijven floreren, en werd de stad het belangrijkste centrum van de kledingindustrie in Nederland.

    De meeste bedrijven waren klein. In 1930 waren er vier producenten met meer dan 200 werknemers: Gerzon in de Spuistraat, Hollandia aan de Valkenweg, De Vries & Susan aan de Prins Hendrikkade en de Nationale Confectie-Industrie (NCI) in de Pijp.

    Na de oorlog verplaatste de textielindustrie zich geleidelijk naar de buitenwijken. In Nieuw-West vestigden diverse bedrijven zich rond het Confectiecentrum (1968) aan het Koningin Wilhelminaplein.

    Alle thema's

    Laatste wijziging:
    januari 2020
    Link Twitter Facebook E-mail

    Zoeken