1850-1940 | Wederopbouw | Na '65
>>>
  • architect
  • straat
  • stijl
  • functie
  • tools
  • Gereedschap

    De stadsverlichting ging vanaf 1847 over van olielampjes op verlichting door gas. Dat werd in speciale fabrieken uit steenkool gewonnen. De eerste Amsterdamse gasfabrieken stonden langs de huidige Marnixstraat en Weteringschans; die zijn al in de 19e eeuw gesloopt.

    In toenemende mate werd ook in woningen gas gebruikt, voor verwarming en koken, zodat de vraag naar gas toenam. In 1898 werden de Westergasfabriek (1883-1885) en Oostergasfabriek (1885-1887), gebouwd door het Engelse bedrijf Imperial Continental Gas Association, overgenomen door de gemeente. Het bedrijf was al sinds 1834 actief in Amsterdam, maar de gemeente was ontevreden over de geleverde kwaliteit. Voor extra productie werden in 1913 de Zuider- en Noorder-gasfabrieken in gebruik genomen.

    In de jaren 1920 werden twee van de toen vier gemeentelijke gasfabrieken gesloten (Noord en Oost), omdat de stad steeds meer overstapte op de veiligere elektriciteit. Vanaf 1911 was de opmars van de gloeilamp niet te stuiten, en tijdens de Eerste Wereldoorlog was er een tekort aan steenkool. De straatverlichting werd vanaf 1917 elektrisch; in 1920 was vrijwel elk huis in de stad aangesloten op het elektriciteitsnetwerk.

    Na de Tweede Wereldoorlog kwam er goedkoper gas van de Hoogovens bij IJmuiden. De genadeslag voor het stadsgas kwam in de jaren 1960, toen het werd verdrongen door het aardgas dat onder Slochteren was gevonden. Aardgas bevat geen koolmonoxide en is dus niet zo giftig als stadsgas. Het verdrong ook de kolen waarmee in veel woningen de kachel nog werd gestookt.

    De Gemeente-Electriciteitswerken en de Gemeente-Gasfabrieken, die elkaar flink beconcurreerden, fuseerden in 1941 tot Gemeente-Energiebedrijf (GEB). Dat werd vanaf 1985 verzelfstandigd en verkocht.

    Gas

    Alle thema's

    Laatste wijziging:
    juli 2017