1850-1940 | Wederopbouw | Na '65
  • architect
  • straat
  • stijl
  • functie
  • tools
  • Gereedschap

    Banken

    Het Amsterdamse bankwezen ontwikkelde zich vanaf de jaren 1860 snel. Vóór die tijd waren ondernemers die geld wilden lenen aangewezen op rijke stadsgenoten of op de grotere handelsondernemingen. De groeiende economie vroeg echter om gespecialiseerde banken.

    In 1876 telde Amsterdam 29 banken, in 1914 43. In de 20e eeuw waren er meer fusies dan dat er nieuwe banken ontstonden; schaalvergroting. De banken waren vooral handelsbanken: pas in de jaren 1960 werden bankrekeningen ook gemeengoed voor particulieren. Wel waren er diverse spaarbanken.

    De grootste bank werd de Amsterdamsche Bank. Die was in 1871 opgericht als Amsterdamse dochter van een Duitse bank. Belangrijk was ook de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die in de loop der jaren meer een bank dan een handelsonderneming werd.

    Met de effectenbeurs, de banken, de verzekeringsmaatschappijen en de Nederlandsche Bank was Amsterdam het onbetwiste financiële centrum van het land. Die centrumrol trok weer andere banken aan: de Twentsche Bankvereeniging bijvoorbeeld had haar hoofdkantoor in Amsterdam. De Rotterdamsche Bank kreeg in 1913 voet aan de grond in Amsterdam door de overname van de bank Labouchère, Oyens & Co.

    Aanvankelijk waren banken gevestigd in zijstraten, zoals het Molenpad (Becker & Fuld), de Nieuwe Spiegelstraat (Lippmann, Rosenthal & Co.) en Amstelstraat (Wertheim & Gompertz). Geld lenen was rond 1860 niet iets waarmee heren van stand geassocieerd wilden worden, zodat banken liever een discreet gebouw gebruikten. Later werden locatie en architectuur opvallender en de gebouwen groter.

    Alle thema's

    Laatste wijziging:
    februari 2016
    Link Twitter Facebook E-mail